Het aantal laadpunten in parkeergarages groeit hard, aangejaagd door de toename van elektrische auto's en de eisen aan laadinfrastructuur bij nieuwbouw en renovatie. Voor de bouwkundige brandveiligheid is dat niet alleen een installatietechnisch vraagstuk: een laadproject brengt nieuwe kabelgoten en meer vermogen met zich mee, en waar kabels door bestaande brandscheidingen gaan ook nieuwe doorvoeren.

Waarom EV-laden de brandveiligheidsdiscussie raakt

Een parkeergarage is al een pand met een zware brandbelasting en, bij een gesloten of ondergrondse garage, een defensieve inzet van de brandweer bij een voertuigbrand. De bouwkundige brandveiligheid - compartimentering, constructiebescherming, afdichtingen - draagt daardoor extra zwaar. Laadinfrastructuur voegt twee risico's toe: meer kabels en leidingen die brandscheidingen doorbreken, en geconcentreerd vermogen dat bij een defect of kortsluiting zelf een ontstekingsbron kan zijn.

Wat verandert er concreet aan de compartimentering?

  • Meer doorvoeren. Nieuwe laadgroepen vragen kabelgoten die soms door de scheiding tussen de parkeerlaag en aangrenzende functies (bergingen, trappenhuis, techniek) lopen. Waar dat zo is, moet iedere doorvoer worden afgedicht met een systeem dat aantoonbaar geschikt is voor die toepassing.
  • Hoger vermogen per groep. Bij snelladen of grote aantallen laadpunten per groep neemt de kabeldikte en daarmee de omvang van de sparing toe - dat vraagt vaak een ander afdichtingssysteem dan de oorspronkelijke, kleinere doorvoer.
  • Nieuwe technische ruimtes. Laadinfrastructuur brengt soms een eigen verdeelkast of transformatorruimte met zich mee, met een eigen compartimenterings- en constructie-eis.

Constructiebescherming blijft de basis

Los van de laadinfrastructuur zelf blijft de bescherming van de dragende staal- en betonconstructie de kern van brandveiligheid in een parkeergarage: bij een langdurige voertuigbrand moet de constructie lang genoeg overeind blijven voor een veilige inzet. Brandwerende staalbekleding op liggers en kolommen, en intacte compartimentering naar aangrenzende functies, veranderen niet door de komst van laadpalen - maar elke wijziging aan de installatie is een moment om te controleren of de bestaande scheidingen nog intact zijn.

Wat het Bbl vraagt

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat specifieke regels voor oplaadpunten voor elektrische voertuigen in parkeergarages. Ze richten zich op de eigenaar van het gebouw waar de parkeerplaatsen bij horen. De kern:

  • Gecontroleerd laden. Een oplaadpunt voldoet aan mode 3 of mode 4 volgens NEN 1010.
  • Gelijktijdig uitschakelen. De garage heeft een voorziening waarmee alle oplaadpunten tegelijk kunnen worden uitgeschakeld, bijvoorbeeld een handmatige noodstop. Zo weet de brandweer zeker dat er geen spanning meer op staat.
  • Informatie bij de toegang. Bij de toegang van de garage staat informatie over die voorziening en over de plaats van de oplaadpunten.

Welke regels gelden, hangt af van de situatie:

SituatieWat geldt
Nieuwe parkeergarageDe regels gelden voor de oplaadpunten in de garage.
Nieuwe oplaadpunten in een bestaande garageHet plaatsen geldt als verbouw. De regels gelden dan voor de nieuwe oplaadpunten, ook als die niet verplicht zijn.
Bestaande oplaadpuntenDe verbouwregels gelden niet voor bestaande oplaadpunten waar de verbouw geen betrekking op heeft.

Het Informatiepunt Leefomgeving licht dit toe voor nieuwbouw en voor verbouw.

Daarnaast blijven de eisen aan compartimentering en constructie en de zorgplichten gelden (zie ons artikel over de zorgplicht brandveiligheid). De laadpuntregels zeggen niets over het afdichten van doorvoeren, en juist daar gaat het in de praktijk het vaakst mis: de elektricien trekt de kabel, maar de afdichting van de doorvoer wordt niet altijd meegenomen in dezelfde opdracht. Leg daarom vooraf vast wie de doorvoeren afdicht, met welk systeem, en wie dat bij oplevering controleert.

Plant u nieuwe laadinfrastructuur in een bestaande parkeergarage? Laat vooraf beoordelen welke brandscheidingen worden geraakt, zodat de afdichting standaard onderdeel is van het laadproject in plaats van een latere inhaalslag.

الأسئلة الشائعة

Ja. Oplaadpunten moeten voldoen aan mode 3 of mode 4 volgens NEN 1010, de garage moet een voorziening hebben om alle oplaadpunten tegelijk uit te schakelen, en bij de toegang moet informatie staan over die voorziening en de plaats van de oplaadpunten. Dat geldt voor nieuwe garages en voor nieuwe oplaadpunten in bestaande garages, niet voor bestaande oplaadpunten waar een verbouw geen betrekking op heeft. De eisen aan compartimentering en constructie blijven daarnaast gelden.

De eigenaar blijft verantwoordelijk voor de staat van het gebouw, en wie de garage gebruikt of laat gebruiken heeft een zorgplicht voor brandveilig gebruik. Leg daarom in de opdracht vast wie de doorvoer afdicht en wie dat controleert. Of de installateur aansprakelijk is, hangt af van de afspraken in de opdracht.

De vereiste bescherming van de staal- of betonconstructie verandert niet automatisch, maar elke verbouwing voor laadinfrastructuur is een goed moment om te controleren of de bestaande constructiebescherming en compartimentering nog intact zijn.

Meer weten over brandwerende staalbekleding?

تكسية العوارض والأعمدة الفولاذية أو طلاؤها بمواد مقاومة للحريق، حتى تحافظ على قدرتها على التحمل لمدة تصل إلى 120 دقيقة أثناء الحريق.

المزيد عن التكسية الفولاذية المقاومة للحريق